Inferno triatlon: to hell and back
Inferno Triatlon in Zwitserland staat bekend als een extreme triathlon. Een combinatie van zwemmen, racefietsen, mountainbiken en traillopen. Maarten nam delen samen met de andere MTVers Bavo en Ward. Dit is zijn verslag.
Nat
Het is stil rond mij. Ik kijk links en rechts, maar zie geen andere atleten naast me. Het water is 23 graden, aangenaam warm en helder. Ik kijk achter mij, maar zie ook niemand meer. Voor mij in de verte zie ik wat fluo kledij van de veiligheidskajaks en paddle boarders. Verder rondom het meer zie ik de bergen die blinken in de opkomende zon, de besneeuwde toppen van de Eiger, Mönch en Jungfrau. Een prachtig zicht, wat een voorrecht om hier te mogen sporten.
Niet beginnen dromen, ik ben met een wedstrijd bezig. Een half uurtje geleden ging ik samen met Bavo en Ward de Thunersee in, tussen 320 andere atleten, vooral Zwitsers en Duitsers. Een tachtigtal van hen zal straks, na het zwemmen, de stok kunnen doorgeven aan een fietser uit hun team, maar de rest stond er alleen voor vandaag. Het echte zwemmen was pas laat begonnen aangezien het meer nog lang ondiep blijft. Ik zag nog veel atleten stappen toen ik al probeerde op gang te komen met de eerste armslagen. Het was niet gemakkelijk om een ritme te pakken te krijgen in de woelige wateren. Ik heb wel al wat ervaring met zeezwemmen, waarbij je een speelbal bent van de golven en vaak een klets water in je gezicht krijgt in plaats van een hap lucht. Wel, dit meer kan daar perfect mee vergeleken worden. Of de wind dan wel de wilde bergstroompjes de oorzaak zijn, feit blijft dat het vechten is met tegenwerkende krachten. Ook navigeren is moeilijk. Slechts om de 500m liggen boeien die niet makkelijk te zien zijn tussen de golven. Bovendien ligt de finish van het zwemmen, aan de overkant van het meer, naast een kasteel dat toch meer een herenhuis met
grootheidswaanzin blijkt te zijn.
Ik hernieuw mijn inspanning en richt me meer naar rechts, waar ik vermoed de meeste anderen zwemmen. Het blijft vechten en vaak het hoofd uit het water steken om goed te kunnen kijken, maar na enige tijd haal ik toch nog wat enkelingen in. Ondertussen zijn Ward, en een beetje later
Bavo, al het water uit geklommen. Beide hebben ook geen fantastische zwemtijd, maar niemand haalt hier een persoonlijk record. Voor mij komt het zogenaamde kasteel nu wel steeds duidelijker in zicht, ik kan zowaar al ramen en deuren onderscheiden. Het einde komt dus dichterbij. Wanneer ik
ook de trap om uit het water te klauteren zie, ben ik toch opgelucht, het eerste onderdeel zit erop. Ik zal wellicht vele honderden meters te veel hebben afgelegd. Terwijl ik m’n pak open rits, werp ik een blik op m’n horloge. Het valt mee 3,2 km, slechts 100m teveel. Het heeft me wel behoorlijk veel tijd gekost, veel langer dan ik op voorhand had gerekend, een slechte start zonder meer, maar ik mag het hoofd niet laten hangen en moet positief blijven.
Omhoog
In de kleine wisselzone doe ik een vlotte wissel en spring op de koersfiets voor een rit van een honderdtal kilometer met twee zware cols. In de eerste kilometers langs het meer schud ik de laatste druppels van de Thunersee af en zoek ik een goed ritme. Al snel gaat het bergop en druppelt er niet
enkel water op het asfalt maar ook dikke zweetdruppels. De afgelopen dagen is het al behoorlijk warm geweest, maar vandaag en zeker nu het nog volop ochtend is, valt het nog heel goed mee.
Veel volk zie ik niet, met een slecht zwemnummer zit ik duidelijk achteraan in de wedstrijd. Af en toe haal ik een andere deelnemer in. Dit gaat vrij gemakkelijk en de benen zitten goed. Terwijl ik klim, is Ward al over de berg en zit Bavo in de afdaling. Bavo moet een aantal kilometers stevig
remmen omdat het parcours niet verkeersvrij is en een bus hem hindert om voluit te dalen. Andere auto’s zullen ook voor mij nog in de weg rijden, best ambetant in een wedstrijd, maar een weg afsluiten in de bergen betekent natuurlijk vaak een volledig dorp onbereikbaar maken. Ook zijn er
deze editie vier maal wegenwerken waarbij het verkeer in beide richtingen op één rijstrook moet. Op de briefing werd ons duidelijk op het hart gedrukt de verkeersregels te volgen. Gelukkig staan overal seingevers die de voorrang regelen en de wachttijd voor de fietsers tot het absolute minimum
beperken.
De eerste afdaling is een goed wegdek met weinig scherpe bochten. Geen bus die mij hindert dus ik rij, voor mijn doen, vrij vlot naar beneden. Ik ben een heel slechte daler, dus wat voor mij vlot dalen aanvoelt, is voor anderen traag en dus word ik regelmatig terug ingehaald. Ik maak me geen zorgen, ik had niet anders verwacht. Ik mag ook niet vergeten eten, met frisse tegenzin duw ik de zoveelste sportbar binnen, die ik dan wegspoel met een slok water. Het suikerbombardement dat nu al enkele uren gaande is, doet de maag wel wat protesteren, maar niet eten is geen goed idee. Ik ben nog niet eens halfweg en er staan nog heel wat hoogtemeters op het menu.
Voorlopig echter is het redelijk vlak. We volgen nu de oevers van de twee meren. Hier kan ik die bergbewoners eens tonen wat tempo maken is. Af en toe gehinderd door auto’s die zich in de dorpjes aan de snelheidslimiet van 30km/u houden, probeer ik de spanning op de ketting te houden zonder me helemaal leeg te rijden. Ward en Bavo die na wat twijfelen gekozen hebben voor de triatlonfiets zullen zich hier wel kunnen uitleven. De klim ligt nu al een twintigtal kilometer achter mij en ik haal steeds meer volk in. Het geeft een goed gevoel. Nu is het kwestie van niet te hard te gaan, de benen moeten nog een hele tijd mee. Ook mag ik niet vergeten genieten, af en toe krijgen we een mooi zicht op het meer en ook de dorpjes die we passeren zijn schilderijtjes. De bergen kijken rustig neer op dit tafereel. De zon staat al hoog, maar de warmte is nog dragelijk. Toch drink ik zo vaak mogelijk. De bevoorradingen zijn in orde dus als mijn water op is kan ik makkelijk een drinkbus wisselen.
Het duurt niet lang of de tweede klim doemt op, de weg slingert omhoog en ik zie een hele sliert fietsers omhoog kruipen. Langzamerhand kom ik goed in de wedstrijd, steeds meer groepjes waar ik naartoe kan rijden. Ik kijk goed naar hun nummers, de gele en oranje zijn de belangrijkste, de rest
doen de Inferno in teamverband en moeten enkel fietsen. Ik gooi mijn ketting op het kleinste blad en zoek een goede cadans. Hier zijn Ward en Bavo in het nadeel, hun tijdritfietsen hebben grotere tandwielen en ze moeten het afleggen tegen koersfietsen met een kleiner verzet. De klim is met
momenten behoorlijk steil en het kost wat krachten om de trappers rond te krijgen.
Af en toe valt de warmte op mij en zweet ik me te pletter, gelukkig zijn er voldoende stukken in de schaduw waar het wat koeler is. Een ervaren deelnemer had ons in het hotel als tip meegegeven om bij de vele drinkfonteintjes te stoppen om te verfrissen en ik zie verschillende anderen dit ook doen. Ik heb nog water genoeg en heb het nog niet te heet dus ik fiets liever door. Even rij ik vlak achter een auto en krijg ik meer uitlaatgassen dan zuurstof binnen, maar hoe hoger we komen, hoe rustiger het wordt. Het wordt ook steiler en voor het eerst voel ik de vermoeidheid en begint het lastiger te worden. Het is best een beest van een col en ik word constant heen en weer geslingerd tussen bewondering voor de prachtige omgeving en afschuw voor de nooit aflatende hellingsgraad. Hier en daar staat een fietser met bepakking te rusten, de pas is ook populair bij bikepackers, zij zien nog meer af, dus als zij dit kunnen moet ik ook boven geraken. In de laatste steile kilometers is geen huis te zien en is de natuur in volle glorie. Toch ben ik blij dat ik boven ben.
Vlak voor de wisselzone is er een geneutraliseerde zone, zodat we de afdaling tussen het verkeer van het stadje veilig kunnen doen. Hier spraken we af met onze supporter, Katrijn, die klaar staat met fris drinken en pannenkoeken. Een zegen! Terwijl ik nog over de bergpas kruip, stoppen Ward
en een beetje later Bavo hier en laten het goed smaken. Ward geniet zelfs een beetje te veel en gaat een paar minuten over de voorziene neutralisatie tijd.
Maar ik ben daar nog niet, ik moet eerst nog afdalen. Na de top gaat het direct steil naar beneden. Helemaal gerust ben ik er niet op, en met toegeknepen billen daal ik af. Het slechte wegdek maakt het er ook niet gemakkelijker op. Opnieuw zoeft de één na de andere Zwitser me voorbij. Ik word er een beetje moedeloos van, al het werk in de beklimming wordt terug teniet gedaan. Toch ligt het aan mij, want ik zie slechts één persoon die te veel risico nam en nu in de berm zit in gezelschap van medisch personeel.
In de neutralisatiezone kan ik me terug wat ontspannen, het vlakt wat uit en ik kan mijn stuur loslaten en de verkrampte vingers wat bewegen. Katrijn moet helemaal rond de berg rijden naar de volgende wisselzone dus die is al vertrokken. Geen pannenkoek voor mij. Dan maar direct naar de wisselzone om de koersfiets te wisselen voor de mountainbike. Ik smeer me nog eens in met zonnecrème, niet dat dat veel zin heeft op een huid nat van het zweet maar bon. En dan hup, opnieuw weg.
Nog meer omhoog
In het begin voelt het een beetje raar op een andere fiets te zitten, maar het went snel. Hier in het dal zit geen wind en de zon brandt hevig. In het voorjaar had ik dit onderdeel al eens verkend dus ik schrik niet als het direct omhoog gaat. Ik schakel naar een lagere versnelling en zoek een ritme die ik de hele tien kilometer kan volhouden. Af en toe werpt een eitje van de kabelbaan waar we onder rijden, een vlekje schaduw, maar verder is het volle zon. Ik krijg het aardig warm. Ik voel dat ik het goed lastig krijg. Het wordt meer overleven dan racen, de finish halen is in een zware wedstrijd als deze al een hele prestatie. Maar daarom net hebben we ons ingeschreven dus niet klagen! Ik passeer een waterbronnetje en twijfel om te stoppen voor wat verkoeling maar beslis toch door te rijden. Ik weet dat een paar kilometer hoger we in een bos komen en er dus schaduw zal zijn. Ik heb ook nog voldoende water bij en dus doorzetten is de strategie. Het valt me op dat de meeste andere fietsers die me nog voorbij rijden teamatleten zijn, het grootste deel van hen rijdt op mountainbikes met achtervering.
Als ik achter me kijk, zie ik Gimmelwald, het stadje van de wisselzone. Ik ben best wel al hoog geklommen. Bij het volgende bronnetje besluit ik toch te stoppen, ik dompel mijn hoofd in het frisse water, het doet ongelofelijk veel deugd. Ik maak ook van de gelegenheid gebruik voor een
korte sanitaire stop, een teken dat ik gelukkig voldoende heb gedronken. Even stoppen was de juiste beslissing want ik voel me als herboren.
Even later bereik ik eindelijk het bos, de opleving was van korte duur, want ik krijg het opnieuw lastig. De benen lopen leeg en ik voel dat ik wat meer moet eten. Het klimmen pakt op de ademhaling en het is lastig om te fietsen en tegelijk te eten. Uiteindelijk moet ik zelfs af en toe kort
stoppen om te kunnen eten. Gelukkig is de top nabij.
Ook op deze col zit het venijn in de staart. Het gravelpad blijft mooi breed maar wordt zeer steil. Om de zoveel meter is een gootje voor de afwatering en het is kwestie om er op de juiste manier over te rijden en niet door te slippen. Ik zie de meeste fietsers te voet gaan. En ook ik heb moeite met de gootjes en moet hele stukken te voet afleggen. De skihotels op de top lijken nog ver maar de vele aanmoedigingen van wandelaars en de adembenemende uitzichten maken veel goed.
Uiteindelijk geraak ik toch boven, met gemengde gevoelens, enerzijds ben ik opgelucht dat de klim erop zit maar anderzijds heb ik stevig schrik voor de afdaling die nu volgt. Een paar dagen voordien hadden we deze verkend en ik had gemerkt dat het toch wel ver buiten mijn comfortzone lag. Ik
had toen vele stukken te voet gedaan omdat ik simpelweg niet naar beneden durfde rijden. Op aanraden van Bavo zet ik m’n zadel lager, raap al mijn moed bijeen en begin de afdaling. De grindweg blijft breed, gelukkig dan kunnen anderen me makkelijk voorbij. Meer dan op de verkenning blijf ik op de fiets zitten en bol langzaam naar beneden, wel bijna constant met ingeknepen remmen. Af en toe in scherpere bochten ga ik even te voet maar ik doe toch zoveel mogelijk al fietsend. Als anderen me voorbij vliegen voel ik me toch een beetje een duts, maar veel van hen zijn opgegroeid in de bergen en doen dit al van kleins af aan. De eerste helft van de afdaling valt op zich nog mee, de weg blijft breed en op sommige stukken kan ik toch ook even ontspannen, want de hele tijd verkrampt op de fiets zitten is best lastig.
Halverwege volgt een technisch stuk door het bos. Een smal paadje vol grote stenen en boomwortels dat steil naar beneden duikt. Gelukkig is dit nog geen kilometer lang. Op voorhand wist ik wel dat ik hier sowieso niet ging fietsen. Dit ligt zo ver boven mijn stuurmanskunsten dat het zelfs geen zin heeft te proberen. Ik zal hier zeker niet de enige zijn. Sporadisch komt me toch nog een durver voorbij, uiteraard met volledige vering, ik ga dan telkens goed uit de kant om ze te laten passeren. De meeste bedanken me daarvoor vriendelijk.
Na het bos volgt dan opnieuw een gravelpad dat in haarspeldbochten naar beneden slingert. Het is heel steil en ik stop in elke bocht omdat het te scherp draaien is. Ik ben nu al lang aan het dalen, het gaat niet vooruit en ik ben het beu. Hier beleef ik geen plezier aan. Als ik de eerste huizen van het dorp in het dal zie, ben ik maar wat blij dat het gedeelte waar ik meest tegen op zag, afgewerkt is. Ik stop kort om m’n zadel terug hoger te zetten en vat de laatste valsplatte kilometers naar de wisselzone aan. Ik denk aan m’n clubgenoten die nu al even aan het lopen zullen zijn.
En nog meer omhoog
Bavo was inderdaad kort na Ward in de wisselzone gekomen. Ward had een vrij lange wissel genomen omdat hij een steunverband aan de lies moest aanbrengen om pijnvrij te kunnen lopen, maar was nog net voor Bavo aan het lopen begonnen. De eerste 5 km hebben ze ongeveer even snel afgelegd. Op kilometer 8, wanneer ik met knikkende knieën de berg nog aan het afdalen ben, had Bavo Ward ingehaald. Door al het blessureleed had Ward het absolute minimum aan looptraining gehad en dus wanneer het parcours pittig omhoog begon te gaan, werd het lopen een stevig
wandeltempo. Bavo, die stukken waar nog weinig anderen liepen, wel kon blijven lopen, haalde hem dus op dit stuk bergop in. Na wat onnozelheden namen ze terug afscheid, elk z’n eigen wedstrijd afwerkend.
Lager in het dal was ik aan mijn wedstrijd bezig. Terwijl een andere atleet in de wisselzone de pijp (z’n startnummer) aan Maarten (de organisatie) geeft, trek ik mijn loopschoenen aan en vertrek voor de laatste discipline; een loopnummer van 25 km naar de top van de Schilthorn. De eerste vijf
kilometer zijn nog vlak en volgen gewoon de vallei. Ik heb direct een goed tempo vast en voel dat het eigenlijk nog wel goed zit. Er zit niemand meer op het parcours en ik weet wel dat ik weer achteraan in de wedstrijd zit, ik had heel veel tijd verloren in het mountainbiken. Maar de benen zijn nog relatief fris en ik zie het nog zitten, het laatste onderdeel, nog een paar uur doorbijten. Er zijn heel veel wandelaars op het pad, veel toeristen die duidelijk geen idee hebben van het evenement (of van sporten in het algemeen) en het is constant roepen en ontwijken. Gelukkig is dit van korte duur, want zodra het pad omhoog gaat, zie ik geen toeristen meer en krijgt de natuur terug de bovenhand. De temperatuur is aangenaam en het begint zelfs heel licht te druppelen. In de verte hoor ik donder, ik hoop dat dit niet op de top is.
IJdele hoop, zo blijkt, want het was inderdaad beginnen onweren op de top. Bavo en Ward waren het laatste dorp gepasseerd en zaten nu volop in het hooggebergte. Het pad voor hen was rotsig geworden en zo steil dat je er moeilijk nog op kon lopen, misschien dat de winnaars daar nog een
beetje kunnen lopen, maar het overgrote deel moet daar wandelen. De lucht wordt er al iets ijler en sommige stukken is het voetje voor voetje omhoog. De kilometers gaan dus veel trager en bovendien was het beginnen hagelen. Gelukkig hadden ze in het laatste dorp nog wat extra kledij
mee gekregen van Katrijn.
Nog maar een twintigtal atleten waren gefinisht op de top wanneer de organisatoren beslissen dat het te gevaarlijk wordt. Bavo en Ward, die op minder dan een minuut volgde, worden zo op slechts 2 km(!) van de top uit de wedstrijd gehaald en samen met de andere atleten naar de kabellift gestuurd. Hun finish ligt op 2 km van de, in mist gehulde piek.
Voor mij werd de finish daarom verlegd naar Mürren, het laatste dorpje. Halverwege de klim, in een bevoorradingspost word ik daarvan op de hoogte gesteld. Waar ik daarvoor afwisselde tussen korte stukken lopen en stukken flink doorstappen, kan ik me nu nog moeilijk motiveren om veel te lopen,
ik kon toch niet meer naar de top. Toch haal ik nog anderen in en meestal sla ik een babbeltje om de tijd wat te doden. Op een kilometer of zes van de nieuwe finishlijn wordt het terug wat vlakker en ik schakel opnieuw over op lopen zodat ik mijn wedstrijd kan afronden. In de regen loop ik door het
dorp tot aan de finishboog op ongeveer 8 km van de top. Eindelijk zit her er op. Aan de ene kant ben ik blij dat ik ben aangekomen en opgelucht dat ik niet nog verder moet afzien, maar aan de andere kant weet ik wel dat het zal beginnen knagen dat ik niet het volledige parcours heb kunnen afleggen. De toekomst zal uitwijzen of ik nog eens meedoe in de hoop op de Schilthorn te mogen finishen of dat ik anders het hier bij laat en nooit meer de verschrikkelijke mountainbikeafdaling hoef te doen.
Alleszins was het een zeer zware (5500 hoogtemeters) maar leuke triatlon met tof gezelschap in een prachtige omgeving. Ondanks het zure randje (Bavo en Ward waren de eerste deelnemers die niet meer op de top mochten finishen) mogen we toch allemaal fier zijn, me dunkt.
Uitslag:
Bavo Sierens: 28e
Ward Goethals: 29e
Maarten De Reu: 162e




